Wanneer je rijdt, zorgt de rijwind voor voldoende koeling van de condensor. Wanneer je stilstaat, moet de koelventilator voor de luchtstroom zorgen.
Als de ventilator niet aanslaat of niet op de juiste snelheid zodra de airco wordt ingeschakeld, stijgt de druk in het systeem bij stilstand te ver op, waardoor de compressor zichzelf ter bescherming uitschakelt of minder efficiënt gaat werken.
Controleer of de ventilator daadwerkelijk gaat draaien zodra je de airco inschakelt, ook bij een koude motor. Hoor je hem draaien? Zo niet, dan kan de weerstand van de ventilator defect zijn, of de aansturingsmodule, de fan control module, die vaak bij de ventilator zelf zit. Gebruik in de stad geen airco.
De 1.9 CDTI-modellen zijn vaak uitgerust met een compressor met een variabel slagvolume zonder magneetkoppeling, maar met een regelventiel. Als het regelventiel op de compressor zelf versleten is, kan deze bij een laag toerental stationair onvoldoende druk opbouwen. Zodra je gas geeft en het toerental van de motor stijgt, draait de compressor sneller en bouwt hij wel voldoende druk op om te koelen bij 80 kilometer per uur.
Dit is lastig uit te lezen met een standaard OBD-scanner. Een specialist kan met een set manometers kijken wat de hoge en luchtdrukwaarden doen op het moment dat je stilstaat versus wanneer je gas geeft. Je hebt de condensor vervangen, dus dit is minder waarschijnlijk, maar controleer of er geen vuil tussen de condensor en de radiateur zit. Als de luchtstroom bij stationair toerental wordt geblokkeerd, kan de warmte niet weg.
ECU gebruikt de buitentemperatuursensor om te bepalen of de airco moet werken. Als deze sensor een verkeerde, te lage waarde doorgeeft, kan de ECU besluiten de compressor minder hard te laten werken. Controleer in de live data van je uitleesapparatuur of de buitentemperatuur die de auto ziet, overeenkomt met de werkelijkheid.